Veelgestelde vragen

Waarover gaat je vraag?


Klik op een van de onderwerpen. Zoek op tag.
Of typ iets in de zoekbalk. 

 

Ja, die is openbaar. 

In oktober 2019 is de eerste versie van de Leidraad opgeleverd. De Leidraad bestaat uit de Startanalyse en de Handreiking voor lokale analyse. In september 2020 is de geactualiseerde en uitgebreide Startanalyse van het PBL uitgekomen. De Handreiking voor lokale analyse is hiermee in lijn aangepast zijn door het ECW. 

De Leidraad is een van de instrumenten die gemeenten kan ondersteunen bij hun regierol in de warmtetransitie. Andere instrumenten zijn bijvoorbeeld: ECW factsheets, de ECW Helpdesk, het Stappenplan Transitievisie Warmte (PAW), de Handreiking Participatie Wijkaanpak Aardgasvrij (PAW) en de Handreiking Marktordening Wet collectieve warmtevoorziening (in ontwikkeling). Daarnaast kunnen gemeenten gebruikmaken van de regeling Extern Advies Warmtetransitie (EAW).

Een gemeente kan de Leidraad gebruiken om in samenspraak met lokale stakeholders per wijk of buurt keuzes te maken voor een alternatieve energie-infrastructuur en een tijdpad bepalen waarop wijken van het aardgas afgaan. Een gemeente kan samen met lokale stakeholders:

  • Onderzoeken welke strategie in een buurt de voorkeur verdient.
    Dat kan door te kijken welke strategieën significant de laagste nationale kosten hebben. Mogelijk geldt dit voor meer dan één strategie. Met de gevoeligheidsanalyse kun je bekijken of deze laagste nationale kosten van deze strategie(en) ook onder andere omstandigheden de laagste zijn. Met de Handreiking voor lokale analyse kan de berekening worden aangescherpt. Dan kan, onder andere op basis van informatie over beschikbaarheid van bronnen, een robuuste keuze gemaakt worden of bepaalde strategieën worden uitgesloten.
  • Verkennen welke buurten in de periode tot en met 2030 aardgasvrij kunnen worden gemaakt.
    Een gemeente kan hierbij bijvoorbeeld rekening houden met de planning van eigen werkzaamheden en die van stakeholders (zoals de vervanging van het riool of geplande renovaties van woonblokken), met de lokale situatie en lokale initiatieven en met wijken waar de nationale kosten lager zijn dan in andere wijken. Hoewel de nationale kosten bij een wijkgerichte aanpak een heel belangrijk onderdeel zijn bij het programmeren, raden we ten zeerste af om in de transitievisie warmte te kiezen voor de inzet van duurzaam gas in wijken waarin de gemeente voor 2030 aan de slag gaat, óók als die strategieën de laagste nationale kosten hebben. De huidige beschikbaarheid van groengas en waterstof is beperkt, en waterstof zal tot 2030 alleen in pilots worden ingezet.                                                                                                                                                                                                                                          Gemeenten kunnen dus starten met buurten waarvoor nu reeds een (technisch-economisch) haalbaar alternatief voor aardgas beschikbaar is, waarvoor een robuust beeld naar voren komt voor een warmtestrategie zonder duurzaam gas.

 

De Leidraad helpt inzicht te krijgen in de kostenefficiëntie van verschillende strategieën voor het aardgasvrij maken van wijken en buurten. De Leidraad bevat zelf geen advies. Werken aan de warmtetransitie zal voortdurend nieuwe inzichten opleveren die gedurende dat proces kunnen worden benut. De vernieuwde Leidraad verenigt de beste inzichten van dit moment en is een goede basis om aan de slag te gaan. Het ECW blijft op de hoogte van ontwikkelingen en kan gemeenten ondersteunen hoe met deze ontwikkelingen om te gaan.

Het Expertise Centrum Warmte (ECW) brengt samen met het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) een Leidraad voor gemeenten uit. De Leidraad biedt uniforme en betrouwbare data en is één van de hulpmiddelen om goed onderbouwde transitievisies warmte en uitvoeringsplannen op te stellen. Met de transitievisie warmte legt de gemeente de basis voor het aardgasvrij maken van wijken. In het uitvoeringsplan besluit de gemeente wanneer en hoe een buurt (stapsgewijs) van het aardgas afgaat en welk alternatief wordt gekozen.

Er zijn verschillende manieren om te prioriteren. De Startanalyse is een technisch-economische doorrekening van de alternatieven voor verwarming met aardgas. Maar er zijn natuurlijk meer redenen waarom je met een bepaalde buurt zou beginnen, of juist met een buurt zou wachten. Denk bijvoorbeeld aan de sociaal-economische karakteristieken van een wijk of aan meekoppelkansen met andere (ruimtelijke) ingrepen en/of wijkontwikkelingsplannen. Deze prioriteringscriteria vind je bij stap ‘P1’ van de Handreiking voor lokale analyse. Het Stappenplan transitievisie warmte helpt ook bij het prioriteren om tot een transitievisie warmte te komen.

De Leidraad bestaat uit twee onderdelen:

  • de Startanalyse die door het PBL gemaakt is met het model Vesta MAIS. Deze analyse op basis van landelijke data, biedt op buurtniveau voor vijf warmtestrategieën een eerste beeld van de technisch-economische gevolgen (zoals nationale kosten, energievraag, CO2-reductie).
  • een Handreiking voor lokale analyse, gemaakt door het ECW. Hiermee kan een gemeente aan de slag gaan om de Startanalyse te verrijken met lokale data afkomstig van de gemeente en (lokale) stakeholders. Daarmee kan de gemeente recht doen aan de lokale situatie.

Ja, de Startanalyse en de Handreiking voor lokale analyse zijn gratis te gebruiken. Het Vesta MAIS-model is open source en te downloaden via de site van het Planbureau voor de Leefomgeving.

Ja, kentallen met betrekking tot energiebehoefte, primair fossiel energiegebruik en aandeel hernieuwbare energie zijn de vinden op pagina 5 van het rapport 'Woningbouw volgens BENG en TOjuli' van het Lente-akkoord.

Er is rekening gehouden met de piekvraag. Zo is er bij warmtenetten rekening gehouden met de kosten van een groengasgestookte piek/back-upvoorziening en is het benodigde vermogen (aansluitcapaciteit) van warmtepompen is ook bepaald aan de hand van de piekvraag. Het elektriciteitsnet is er dus geschikt voor in de meeste gevallen. Kijk voor meer informatie eens naar het functioneel ontwerp van het VESTA MAIS rekenmodel van PBL.

De Leidraad laat alleen nationale kosten per buurt zien. Het blijkt dat binnen een buurt grote verschillen kunnen zijn tussen eindgebruikers en gebouwen en daarmee ook de eindgebruikerskosten. Dit betekent dat het raadzaam is dat gemeenten op buurtniveau een specificatie in eindgebruikerskosten maken, op basis van nationale en lokale gegevens. 

Later volgt een apart product waarin landelijk gemiddelde eindgebruikerskosten in euro’s per woning worden getoond. Deze kosten zijn uitgesplitst naar woningtype en warmtestrategie. Gemeenten kunnen deze cijfers gebruiken om meer buurtspecifiek een beeld te schetsen. De wijze waarop dit kan gebeuren, wordt te zijner tijd verwerkt in een update van de Handreiking voor lokale analyse. Het ECW houdt gemeenten op de hoogte over de planning van dit product. Gemeenten kunnen op basis van de nationale kosten al aan de slag. De inzichten uit het apart ontwikkelde product met eindgebruikerskosten kunnen later worden meegenomen. 
 

Bij uitvoering van strategieën zonder duurzaam gas moet het huidige gasdistributienet in de buurt worden verwijderd. Bovendien moeten de gasaansluitingen in de gebouwen worden weggehaald. De kosten van gasnetverwijdering zijn berekend uit de lengte van het gasnet in een buurt en een gemiddeld kostenbedrag per meter. De kosten van het weghalen van een gasaansluiting zijn berekend met een gemiddeld bedrag per woning.

Voor een aantal strategieën kan isoleren tot schillabel D voldoende comfort geven, eventueel met aanpassing van radiatoren om de warmteafgifte te verhogen. Het gaat daarbij om strategieën in de Startanalyse met een aflevertemperatuur van 70 graden of hoger, zoals het geval bij S2 (warmtenet met midden- of hogetemperatuurbron), bij enkele varianten van S3 (warmtenet met lagetemperatuurbron), S4 (groengas) en S5 (waterstof). Van deze strategieën zijn extra varianten met schillabel D doorgerekend.

De eindgebruikerskosten zijn alle kosten die een eindgebruiker betaalt voor de omschakeling op aardgasvrij verwarmen. Dat zijn kosten voor energie en voor het gebruik van installaties en isolatie; daarin zijn alle subsidies en belastingen verwerkt. Daarnaast worden ook de kosten van de verhuurders, energiebedrijven en de overheid inzichtelijk gemaakt. De jaarlijkse kosten die gepaard gaan met investeringen in isolatie en installaties (zoals afschrijvings- en rentekosten) worden berekend op basis van de marktrente die voor elke partij van toepassing is. Bekijk ook de vraag Wat voor soort kosten berekent de Startanalyse?, met uitleg over de nationale kosten.

De Startanalyse is berekend met recente kosten- en opbrengstencijfers. Ook is er rekening gehouden met de verwachte prijsontwikkelingen over de tijd. Bijvoorbeeld de ontwikkeling van de energieprijzen en de prijzen van technische maatregelen. Van een aantal technische maatregelen wordt namelijk verwacht dat die over de tijd goedkoper zullen worden. Dit komt doordat er meer ervaring met de techniek zal zijn opgedaan en/of omdat de techniek in grotere hoeveelheden zal worden toegepast waardoor de kosten dalen.

De belangrijkste inputparameters zijn voor de Startanalyse getoetst met experts. Zo zijn er verschillende validatiesessies georganiseerd door het Expertise Centrum Warmte  en het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL). Op onze site vind je alle gegevens en verslagen van de validatiesessies.

Omdat we nog aan het begin van de warmtetransitie staan, zijn er nog weinig praktijkvoorbeelden van technieken met lagetemperatuurafgiftes die gecombineerd zijn met bestaande bebouwing met schillabel B. Uit validatiesessies met experts bleek echter dat de verwachting is dat een lagetemperatuurafgifte (circa 50 °C) bij schillabel B mogelijk is. Natuurlijk kunnen er andere redenen zijn om toch te kiezen voor een hoger isolatieniveau, bijvoorbeeld extra comfort of de ruimte die de warmteopwekking in beslag neemt.

Let op: schillabel B is wat anders dan energielabel B. Het schillabel is een indicatie van de isolatiekwaliteit van de gebouwschil. Het schillabel is gebaseerd op het energielabel van het gebouw, maar dan exclusief de warmtevoorziening en eventuele opwek. De isolatiekwaliteit van schillabel B is te vergelijken met het energielabel B waarbij de woning is voorzien van een HR-ketel maar zonder andere installaties zoals een zonneboiler en zonnepaneel.

De huidige warmtevraag voor ruimteverwarming wordt bepaald op basis van gegevens uit de Basisadministratie Adressen en Gebouwen (BAG), uit de energielabel-database van RVO en uit CBS-statistieken over het gemiddelde gasverbruik van woningen. Op basis van deze informatie zijn er per woningtype, bouwjaar, woningoppervlak en schillabel kentallen gemaakt voor de energievraag. De energievraag voor de utiliteit is op een vergelijkbare manier gekarakteriseerd als bij woningen.

Het model berekent eerst per individueel gebouw of woning de kosten van het isoleren naar schillabel B of D (afhankelijk van de aardgasvrije variant). Als het huidige energielabel (gecorrigeerd voor het energieverbruik) al gelijk of hoger is dan B of D, dan worden er geen isolatiekosten gerekend. Vervolgens berekent het model de resterende energievraag en de kosten om deze aardgasvrij op te wekken.

De Startanalyse is berekend met recente kosten- en opbrengstencijfers. Ook is er rekening gehouden met de verwachte prijsontwikkelingen over de tijd. Bijvoorbeeld de ontwikkeling van de energieprijzen en de prijzen van technische maatregelen. Van een aantal technische maatregelen wordt namelijk verwacht dat die over de tijd goedkoper zullen worden. Dit komt doordat er meer ervaring met de techniek zal zijn opgedaan en/of omdat de techniek in grotere hoeveelheden zal worden toegepast waardoor de kosten dalen.

De belangrijkste inputparameters zijn voor de Startanalyse getoetst met experts. Zo zijn er verschillende validatiesessies georganiseerd door het Expertise Centrum Warmte (ECW) en het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL). Op onze site vind je alle gegevens en verslagen van de validatiesessies. Ook kun je notities van het PBL over waterstof en energiebesparing nalezen. Deze notities zijn in de zomer besproken met experts.

 

De Startanalyse is geen tool om individuele businesscases mee te berekenen. De Startanalyse is gebaseerd op nationale kentallen die een gemiddelde zijn van al gerealiseerde maatregelen. Deze kentallen zijn niet bruikbaar in lokale businesscases omdat ieder project anders is, en er rekening moet worden gehouden met lokale omstandigheden. Een warmtenet op lage temperatuur kan in het ene project goedkoper zijn dan in een ander project. De template businesscases warmtenetten van het ECW kun je wel gebruiken voor het doorrekenen van een specifieke businesscase.

De Startanalyse geeft wel een goede eerste indruk van de relatieve geschiktheid van iedere warmtestrategie voor een buurt. Mocht de individuele-elektrischewarmtepompstrategie in de Startanalyse er bijvoorbeeld erg duur uitkomen in vergelijking met een warmtenetstrategie, dan zal deze verhouding waarschijnlijk ook terugkomen wanneer je een specifieke businesscase voor beide strategieën laat uitrekenen. Je moet echter altijd nagaan of er lokaal specifieke omstandigheden zijn die afwijken van de nationaal gemiddelde kengetallen. De Handreiking voor lokale analyse helpt bij dit proces.

De Startanalyse geeft wel een goede eerste indruk van de relatieve geschiktheid van iedere warmtestrategie voor een buurt. Mocht de individuele-elektrischewarmtepompstrategie in de Startanalyse er bijvoorbeeld erg duur uitkomen in vergelijking met een warmtenetstrategie, dan zal deze verhouding waarschijnlijk ook terugkomen wanneer je een specifieke businesscase voor beide strategieën laat uitrekenen. Je moet echter altijd nagaan of er lokaal specifieke omstandigheden zijn die afwijken van de nationaal gemiddelde kengetallen. De Handreiking voor lokale analyse helpt bij dit proces.

De Startanalyse toont objectieve, gevalideerde gegevens die openbaar toegankelijk zijn. 
De partijen van de klimaattafel Gebouwde Omgeving hebben het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) gevraagd de berekeningen voor de Startanalyse uit te voeren. Belangrijke afwegingen hierbij waren dat het PBL een inhoudelijk onafhankelijke positie heeft die in de wet is vastgelegd en dat het Vesta MAIS-model van PBL open source is.
 

Het Vesta MAIS-model van het Planbureau van de Leefomgeving (PBL) wordt sinds 2011 gebruikt. Het model is sindsdien meerdere keren uitgebreid en aangescherpt. Voor de Startanalyse zijn de belangrijkste inputgegevens getoetst met experts. Zo zijn er validatiesessies georganiseerd door het ECW en het PBL. Op onze site vind je alle gegevens en verslagen van deze validatiesessies.

In het Gemeenterapport, het achtergrondrapport en het functioneel ontwerp worden de gehanteerde uitgangspunten, parameters en berekeningen van de Startanalyse toegelicht. Daarbij wordt ook toegelicht hoe om te gaan met onzekerheden, uitzonderlijke buurten en schaarse energiebronnen.

Op de website van het PBL is meer informatie te vinden over het Vesta MAIS-model.
 

De Startanalyse rekent met nationale kengetallen die een gemiddelde zijn van al gerealiseerde maatregelen. Deze kentallen kunnen in de praktijk anders uitpakken omdat ieder project anders is en er rekening moet worden gehouden met lokale omstandigheden. Zo is het aanleggen van een warmtenet in een overzichtelijke jaren ‘80 wijk waarschijnlijk goedkoper dan in historische stadscentrum met veel onbekende kabel, buizen en archeologie in de ondergrond. Je moet daarom  altijd nagaan of er lokaal specifieke omstandigheden zijn die afwijken van de nationaal gemiddelde kengetallen. De Handreiking voor lokale analyse helpt bij dit proces. Ook bevat de Startanalyse een gevoeligheidsanalyse die de resultaten van de berekeningen toont als bepaalde kosten hoger of lager uitvallen dan in het basisscenario.

Je kunt het datapakket van jouw gemeente aanvragen door een e-mail te sturen naar startanalyse@pbl.nl

Nee, de Startanalyse is een landelijke doorrekening. Lokale randvoorwaarden kun je daarbij niet aangeven. In een lokale analyse kun je wel rekening houden met dergelijke randvoorwaarden.

Hier zijn inderdaad wel nationale data over beschikbaar, maar ze zijn niet eenvoudig toe te passen voor de Startanalyse. Zo zal in de praktijk het ene monument relatief goedkoop te isoleren zijn terwijl het andere monument juist relatief duur zal zijn. Verder zal de ene rivier/snelweg makkelijker te doorkruisen zijn met een warmtenet dan de andere rivier/snelweg. 

Het inbrengen van lokale data vereist meer maatwerk. Daarom is er vooralsnog voor gekozen om deze data niet mee te nemen. De gemeente kent de lokale situatie beter en kan deze kennis gebruiken voor haar lokale analyse.
 

Het model werkt met een indeling in CBS-buurten. Hiervan afwijken is niet mogelijk. Dit komt omdat veel inputdata op CBS-buurtniveau in het model is ingevoerd, en niet op woningniveau. Zo is de lengte van het bestaande gasnet, de lengte van het toekomstige warmtenet binnen de buurt (distributie) en de capaciteit van het elektriciteitsnet op CBS-buurtniveau in het model ingevoerd en niet per woning. Wanneer de buurtgrenzen worden veranderd, zal deze data niet meer kloppen. 

De doorberekende prijsontwikkelingen zijn terug te vinden zijn in het Achtergrondrapport.

De Startanalyse berekent de kosten van het aardgasvrij maken van een buurt. Als een deel van de buurt nu al aardgasvrij is (bijvoorbeeld via een warmtenet) dan wordt er alleen gerekend aan de woningen en gebouwen die nu nog wél aardgas gebruiken. Het kan zijn dat het volgens de berekeningen voor die woningen goedkoper is om een andere aardgasvrije strategie toe te passen dan om aan te sluiten op het bestaande warmtenet.
Of dit in de praktijk ook echt zo is, zal in dit geval waarschijnlijk lokaal maatwerk zijn dat je niet op basis van nationale data kunt bepalen. 

Nee, de viewer laat alleen de uitkomsten van de Startanalyse zien. Je kunt er niet mee rekenen.
Dat kan wel in het Vesta MAIS-model waarmee de Startanalyse is uitgerekend. Het is gratis te downloaden op de site van het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL). Let wel op: het is een complex model waar veel oefening en ervaring met rekenen met modellen voor nodig is. Verschillende adviesbureaus kunnen met Vesta MAIS (of met een eigen, vergelijkbaar model) rekenen. 
 

Het schillabel betreft een indicatie van de isolatiewaarde van de gebouwschil. Die bestaat uit gevel, dak, vloer en het glas in de ramen. Het label is gebaseerd op het energielabel van het gebouw, maar dan exclusief de warmtevoorziening en eventuele opwek, zoals zonnepanelen.

Het Vesta-Mais-model maakt gebruik van data uit de WKO-tool (de zogenaamde WKO-contouren). Hierin zijn gebieden verwerkt waar het verboden is te boren vanwege drinkwaterwinning. Voor bodemwarmtepompen moet er een melding bij de gemeente worden gedaan. 

De Startanalyse is er vanuit gegaan dat bodemwarmtepompen altijd kunnen. De gemeente zal dus tijdens de lokale analyse moeten checken of dit daadwerkelijk het geval is.
 

Voor de Startanalyse zijn er veel verschillende aannames gemaakt en veel verschillende parameters doorgerekend. Het PBL en ECW hebben dit uitgebreid gedocumenteerd. Bekijk het overzicht van alle beschikbare documentatie over de Startanalyse en Vesta MAIS.

Het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) heeft in overleg met experts besloten welke technieken wel en welke niet worden doorgerekend in de Startanalyse. Het doorrekenen van een grote hoeveelheid extra technieken geeft namelijk beperkt extra inzicht. Bovendien gaat het voorbij aan het doel van de Startanalyse: gemeenten een eerste inzicht geven welke strategieën relevant zijn en welke afvallen. De technieken die niet zijn doorgerekend zijn voorbeelden van lokale optimalisaties en kunnen meegenomen worden in de lokale uitwerking. 

Over een aantal technieken die niet zijn doorgerekend, bijvoorbeeld over infraroodpanelen en bio-energie, zijn wel factsheets gemaakt. 
 

De Startanalyse berekent alleen de warmtevraag voor de gebouwde omgeving (woningen én utiliteitsgebouwen). Dit is de warmtevraag voor ruimteverwarming en warm tapwater. De warmtevraag voor het productieproces van de industrie, de zogenaamde proceswarmte, is niet meegenomen. 

De Startanalyse berekent de kosten van een aardgasvrije eindsituatie voor vijf verschillende strategieën. In deze eindsituatie is er geen aardgasverbruik meer.

Behalve de vijf aardgasvrije strategieën zijn er ook twee referentiebeelden uitgerekend: de referentie 2019 die uitgaat van de huidige situatie en de referentie 2030 die uitgaat van de huidige situatie maar rekent met de verwachte energieprijzen en buitentemperatuur van 2030. In deze referentiebeelden is er nog wel aardgasverbruik en zijn de kosten hiervan wél doorgerekend.

Er wordt geen rekening gehouden met de levensduur van het gasnet. De gemeente kan hierover wel data verkrijgen bij haar netbeheerder, zodat ze specifiekere cijfers mee kan nemen in haar afwegingen. Netbeheer Nederland heeft een Informatiepakket Transitievisie Warmte opgesteld dat op dit onderwerp ingaat. Met behulp van de Handreiking voor lokale analyse kan een gemeente aan de slag met de lokale analyse.

Bij sommige aardgasvrije strategieën zal het elektriciteitsgebruik van een buurt aanzienlijk stijgen. Als het elektriciteitsnet hierdoor moet worden verzwaard, dan worden de kosten hiervan meegerekend. De extra opwekcapaciteit van de elektriciteit is niet apart meegenomen, maar zit wel in het verwachte elektriciteitstarief verwerkt.

Nee. De nationale kosten voor iedere buurt zijn gebaseerd op kentallen. Die zijn niet specifiek genoeg om een analyse te maken van de totale kosten van de warmtetransitie.

De Leidraad houdt geen rekening met specifieke situaties die bepaalde warmteoplossingen (vooralsnog) onhaalbaar maken, denk bijvoorbeeld aan een monumentenstatus of onvoldoende ruimte in de straat. Dit zijn specifieke belemmeringen die de gemeente het beste lokaal kan identificeren. Met behulp van de Handreiking voor lokale analyse kan een gemeente aan de slag gaan met deze lokale analyse.

Gemeenten vroegen tijdens de Ronde van Nederland om meer inzicht in de isolatiemogelijkheden. Op hun verzoek is er daarom een extra isolatieniveau doorgerekend. Naast schillabel B is nu ook schillabel D doorgerekend bij bij varianten waarbij dit voldoende comfort biedt. Dit comfort kan alleen geboden worden bij een aflevertemperatuur van ten minste 70 °C. Hier moet wel bij vermeld worden dat dit alleen voor de 'modelhuizen' van RVO geldt. 

In de nieuwe versie van de Startanalyse is de oude strategie S5 (groengas met HR-ketel) samengevoegd met de oude strategie S4 (groengas met hybride warmtepomp). Strategie 4 uit de Startanalyse 2020 is dus een samenvoeging van strategie 4 en 5 uit de Startanalyse 2019.

We adviseren gemeenten om de Startanalyse 2020 te gebruiken, omdat deze op een aantal belangrijke elementen verbeterd is. Gemeenten die al lokale analyses hebben gedaan met de Startanalyse 2019 raden we aan om die lokale analyse te vergelijken met de resultaten van de Startanalyse 2020. Bij vragen kunnen gemeenten contact opnemen met de Helpdesk van het ECW om deze verschillen te bespreken.  

De belangrijkste wijzigingen zijn:

  • Er is een extra isolatieniveau meegenomen in de berekeningen. Naast het schillabel B wordt nu ook schillabel D doorgerekend, alleen voor varianten waarvoor dit isolatieniveau genoeg comfort biedt.
  • Waterstof is toegevoegd als energiedrager in een nieuwe strategie (S5). De oude strategie S5 (groengas met hoogrendements(HR-)ketel) is samengevoegd met S4 (groengas met hybride warmtepomp).
  • De input van data over warmtebronnen en uit te sluiten buurten en proeftuinen is gewijzigd naar aanleiding van de respons op een oproep aan gemeenten.
  • De actuele kosten en technische parameters zijn toegepast.

De Startanalyse laat alleen nationale kosten per buurt zien en geen eindgebruikerskosten. Het blijkt namelijk dat binnen een buurt grote verschillen kunnen zijn tussen eindgebruikers en tussen gebouwen en daarmee ook in de eindgebruikerskosten. Het berekenen van gemiddelde eindgebruikerskosten per buurt zou een beeld opleveren dat sterk afwijkt van de situatie van individuele eindgebruikers en is dus niet bruikbaar in het overleg met bijvoorbeeld bewoners.

Begin 2021 volgt een apart product waarin landelijk gemiddelde eindgebruikerskosten in euro’s per woningtype worden getoond. Dit product toont gemiddelde kosten waarvoor input over het woningtype, isolatieniveau en bouwjaar worden gecombineerd met de gekozen warmtestrategie. Als gemeente kun je inzicht krijgen in de eindgebruikerskosten per buurt door deze landelijk gemiddelde kosten te koppelen aan de buurtgegevens (aanwezige woningtype, isolatieniveau, bouwjaar en warmtestrategie). De manier waarop dit kan gebeuren, wordt verwerkt in de Handreiking voor lokale analyse. Het ECW houdt gemeenten op de hoogte over de planning van dit product. Gemeenten kunnen op basis van de nationale kosten al aan de slag. De inzichten uit het apart ontwikkelde product met eindgebruikerskosten kunnen later worden meegenomen.

De SA-2020 beschikt over twee gevoeligheidsanalyses: voor de toekomstige ontwikkelingen van energieprijzen en de-investeringskosten. In de eerste versie van de Startanalyse werden er nog drie andere gevoeligheidsanalyses uitgevoerd: één voor de huidige kosten van technische maatregelen, één voor de energie-efficiëntie van technieken, en één voor schillabel A+.

  • Voor de huidige kosten van technische maatregelen bleek de spreiding van de gevoeligheidsanalyse vergelijkbaar was met die van de ontwikkeling van de kosten van technische maatregelen. Daarom is die gevoeligheidsanalyse in de vernieuwdeversie niet opnieuw gedaan.
  • Voor de energie-efficiëntie bleek dat de spreiding gering was, waardoor ook het nut van deze analyse gering was.

De gevoeligheidsanalyse waarbij alle strategieën zijn doorgerekend op basis van schillabel A+ worden niet herhaald. Uit de eerste versie van de Startanalyse is gebleken dat isoleren tot label A+ altijd tot hogere nationale kosten leidt dan isoleren tot schillabel B. Dit betekent in het kort dat de bijbehorende nationale besparingen op energiekosten altijd lager zijn dan de extra jaarlijkse nationale kosten van de isolatiemaatregelen. Vanuit optimalisatie van de nationale kosten is er dus geen reden voor verdergaande isolatiemaatregelen. Er kunnen wel andere redenen zijn, zoals behoefte aan extra comfort.

Ja, er is veel veranderd aan de parameters in de Startanalyse. Ze zijn zoveel mogelijk aangepast aan de nu beschikbare kennis. Zo is de kostprijs van groengas aangepast aan de nieuwste cijfers uit de SDE. Daarom raden wij ook aan om de Startanalyse 2020 te gebruiken. Gemeenten die al lokale analyses hebben gedaan met de Startanalyse 2019 raden we aan om die lokale analyse te vergelijken met de resultaten van de Startanalyse 2020. Bij vragen kunnen gemeenten contact opnemen met de Helpdesk van het ECW om deze verschillen te bespreken. 

Ja, de input van gemeenten en provincies is verwerkt, zowel in de Warmteatlas als in de Startanalyse.

We adviseren gemeenten om de Startanalyse 2020 te gebruiken, omdat deze op een aantal belangrijke elementen verbeterd is. Gemeenten die al lokale analyses hebben gedaan met de Startanalyse 2019 raden we aan om die lokale analyse te vergelijken met de resultaten van de Startanalyse 2020. Bij vragen kunnen gemeenten contact opnemen met de Helpdesk van het ECW om deze verschillen te bespreken. 

De Startanalyse maakt voor iedere variant (bijvoorbeeld S1B, Bodemwarmtepomp) een aparte doorrekening van de kosten. Deze kosten worden berekend met de aanname dat iedere buurt in Nederland voor die variant kiest. Dit betekent dat bij S2A het warmtenet wordt doorgelinkt van buurt naar buurt waardoor er kosten worden bespaard. In de praktijk zullen niet alle buurten kiezen voor een warmtenet, waardoor het warmtenet in sommige buurten duurder uit kan vallen. Voor andere buurten kan gelden dat ze in de realiteit gebruik kunnen maken van een bron die dichterbij de buurt ligt, waardoor de kosten lager uitvallen. Een lokale analyse is daarom altijd noodzakelijk.

De Startanalyse gaat ervanuit dat restwarmte CO2-neutraal is. 
Gemeenten konden bij het aanleveren van informatie over warmtebronnen aangeven dat warmtebronnen op termijn niet meer beschikbaar zijn of dat er op termijn nieuwe warmtebronnen beschikbaar komen. Als deze informatie is aangeleverd, dan is dit meegenomen in de Startanalyse. In de detailkaarten in de viewer kun je zien of en hoe warmtebronnen zijn meegenomen in de Startanalyse.

Voor de berekeningen is gebruikgemaakt van het meest recente bestand uit de Warmteatlas van bronnen met restwarmte. Dit bestand uit de Warmteatlas is aangevuld met informatie die door gemeenten is toegestuurd naar aanleiding van de uitvraag. Deze uitvraag is tweemaal gedaan: In het voorjaar van 2019 en in de eerste maanden 2020. 

Er lopen nog andere initiatieven om de informatie over de beschikbare restwarmte te verbeteren. Zo is in het Klimaatakkoord afgesproken dat de industrie gaat rapporteren over beschikbare capaciteit aan restwarmte. Daarnaast is  het VIVET-project (Verbetering van de InformatieVoorziening voor de EnergieTransitie) opgestart. Op basis van de beschikbare informatie zal de Warmteatlas periodiek geüpdatet worden, hierin worden ook de warmtebronnen die door gemeenten zijn toegestuurd toegevoegd.

Het is raadzaam dat gemeenten die overwegen om restwarmte te benutten, contact opnemen met potentiële leveranciers voor meer informatie over de capaciteit, het vermogen, de temperatuur en de bestendigheid van de bronnen. Daarnaast is afstemming nodig met andere potentiële afnemers van dezelfde restwarmte. Zijn dat afnemers in andere gemeenten of energieregio’s, dan is afstemming van aanbod en vraag in RES-verband een optie.
 

Als een warmtebron in staat is om zonder opwaardering het water op minimaal 70 °C aan de gebouwen te leveren, dan noemen we dit een midden- tot hogetemperatuurbron. Als een bron niet in staat om het water zonder opwaardering op minimaal 70 °C aan de gebouwen te leveren, dan spreken we van een lagetemperatuurbron. 

Het model gaat er in eerste instantie van uit dat de warmtebron de warmtevraag invult van een buurt waarvoor dit het meest efficiënt is. Buurten die dichtbij liggen en een hoge dichtheid hebben komen in het algemeen het eerst aan de beurt doordat er een minder lang transportnet (warmtenet) hoeft te worden aangelegd tussen de warmtebron en de buurt en veel warmte kan worden geleverd vanwege de hoge dichtheid. Vervolgens wordt het transportnet doorgetrokken naar de buurt waarvoor dit daarna het meest efficiënt is. Dit herhaalt zich totdat de capaciteit van een warmtebron volledig is benut.

Het model gaat ervan uit dat het transportnet van de ene buurt wordt doorgetrokken naar de andere. Mocht er een buurt in de praktijk niet worden aangesloten op het warmtenet, dan kan dit daardoor gevolgen hebben voor de kosten van omliggende buurten. Het kan zijn dat zij in dat geval een langer transportnetwerk richting de warmtebron aanleggen.

In het achtergrondrapport wordt bovenstaande methodiek verder toegelicht.

Aquathermie is meegenomen bij de doorrekening van de warmtenetten met een lagetemperatuurwarmtebron (Strategie 3). Voor de beschikbaarheid van warmte uit oppervlaktewater is gebruik gemaakt van een aquathermiecontour. De waterzuiveringsinstallaties zijn meegenomen als lagetemperatuurrestwarmtebronnen. Gegevens van warmte uit drinkwater zijn niet beschikbaar en zijn daarom niet meegenomen.
In het tabblad detailkaarten in de viewer zijn de doorgerekende aquathermiecontour en restwarmtebronnen te bekijken. In het Gemeenterapport en het achtergrondrapport worden de uitgangspunten van de berekening verder toegelicht.
 

Warmteopslag is op verschillende manieren meegenomen als mogelijke techniek. Bij  middentemperatuurwarmtebronnen gebruikt de leverancier vaak piekketels om de piekvraag te dekken. Daarnaast maakt een aantal varianten met lagetemperatuurwarmtebronnen gebruik van een warmte-koudeopslag (WKO)-systeem. De kosten van deze piekketels en WKO-systemen zijn verwerkt in de kostenkengetallen voor deze techniek. 

Alle gebruikte kostenkengetallen worden toegelicht in het achtergrondrapport en het functioneel ontwerp.
 

Er wordt bij Strategie 2 (Warmtenet met midden- tot hogetemperatuurbron) aangenomen dat de piek-/back-upketel op groengas draait. 

Warmtenetten worden in 30 jaar afgeschreven. Om de kapitaalslasten te berekenen wordt er bovenop deze afschrijvingskosten ook nog met een discontovoet van 3% gerekend.

Nee, alleen de restcapaciteit van warmtebronnen is meegenomen. Deze restcapaciteit van warmtebronnen is overgenomen vanuit de Warmteatlas. Je vindt die terug in de detailkaarten van de online viewer. 

Als de restcapaciteit van midden- of hogetemperatuurbronnen niet bekend was, is aangenomen dat deze maximaal 3 MW is. Ook bij laagtemperatuurbronnen is een aanname gedaan van de restcapaciteit als er geen informatie over aanwezig is. De aangenomen restwarmte verschilt hier per type bron. In de praktijk kunnen andere waarden gelden. In het achtergronddocument vind je hier meer informatie over.
 

Deze uitkomst betekent dat volgens het model de goedkoopste uitwerking van strategie 3 is om 11% van de gebouwen in deze wijk aan te sluiten op een warmtenet met een lagetemperatuurbron en dat het voor de overige bebouwing voordeliger is om over te gaan op een individuele warmtepomp. 

Dit kan bijvoorbeeld zijn omdat in die buurt een deel van de bebouwing dichtbebouwd is, bijvoorbeeld een flat, maar dat er ook een aantal verspreide vrijstaande huizen zijn. Een lokale analyse van de gebouwen kan helpen om deze uitkomst te verklaren. In het datapakket kun je zien welke gebouwen een warmtepomp toebedeeld krijgen volgens de berekening van de Startanalyse, en welke gebouwen aan het warmtenet gaan. Om dit datapakket te kunnen inzien heb je wel een GIS-programma nodig.
Je kunt het datapakket van jouw gemeente aanvragen door een e-mail te sturen naar startanalyse@pbl.nl.

Hernieuwbaar gas is al het gas uit hernieuwbare bronnen (zoals gedefinieerd door de EU).  Denk aan groengas en groene waterstof uit 'wind en zon'. Groene waterstof is waterstof gemaakt met elektriciteit uit deze bronnen. Daarnaast kan waterstof worden gemaakt uit aardgas waarbij de CO2 wordt afgevangen en ondergronds wordt opgeslagen. Dit wordt blauwe waterstof genoemd en valt onder duurzaam gas. Duurzaam gas is CO2-vrij. Dit maakt blauwe waterstof duurzaam, maar niet hernieuwbaar. Groene waterstof is beide.

Voor de inkoopkosten van groengas is gerekend met de verwachte productiekosten van groengas. Die zijn vastgesteld met behulp van beschikbare data over huidige productiekosten van groengas en schattingen door experts over toekomstige productiekosten van groengas. Daarnaast zijn in de strategieën op basis van duurzaam gas ook de onderhouds- en bedieningskosten van het gasnet meegenomen. 

Het Klimaatakkoord gaat ervan uit dat in 2050 maximaal 2,0 bcm groengas beschikbaar is voor de gebouwde omgeving. De Startanalyse reserveert daarvan 0,5 bcm voor hulpketels van midden- en hogetemperatuurwarmtenetten. De rest (1,5 bcm) is beschikbaar voor de twee strategieën met groengas (hybride warmtepompen en cv-ketels op groengas). De Startanalyse zet deze 1,5 bcm groengas in voor die buurten die het meeste voordeel hebben bij de toepassing van groengas. Dit zijn buurten waar de strategie met groengas relatief veel goedkoper is dan de strategieën zonder groengas (warmtepompen en -netten). Het Gemeenterapport bevat een paragraaf waarin uitgebreid wordt beschreven hoe er in de Startanalyse met schaarste wordt omgegaan.

De Handreiking voor lokale analyse is bij de vernieuwde versie van de Startanalyse (september 2020) op punten aangevuld en geactualiseerd. Ook kan het zijn dat veranderingen in de wet- en regelgeving aanleiding zijn voor een vernieuwing. Daarnaast kan blijken dat de Handreiking voor lokale analyse met enkele aanpassingen beter aansluit bij de gemeentelijke praktijk. Het Expertise Centrum Warmte houdt daarom de vinger aan de pols bij de ervaringen met het gebruik van de Handreiking door gemeenten. Heb je opmerkingen of suggesties, dan horen we dit graag. Om je wijzigingen door te geven kun je het contactformulier gebruiken.

We richten ons eerst op één update per jaar. Als er tussentijds aanleiding toe is  - zoals bij wetswijzigingen met invloed op de Leidraad - zullen wij de Handreiking voor lokale analyse vaker updaten. 

De Handreiking voor lokale analyse geeft aan welke data je het beste lokaal kunt aanvullen en hoe je dat kunt doen. Hierbij kun je onder andere denken aan het aanvullen van de data met meer specifieke informatie over beschikbare warmtebronnen. De verrijkte data helpen bij het maken van keuzes die nodig zijn voor de transitievisie warmte van jouw gemeente.

Op de site van het Programma Aardgasvrije Wijken vind je de kenmerken van een transitievisie warmte. Daar vind je ook een stappenplan. Daarin lees je waar je allemaal aan kunt denken bij het opstellen van je transitievisie warmte en welke stappen je hierbij kunt doorlopen.

De nationale kosten geven al veel inzicht. Bovendien zullen buurten met lage nationale kosten om van het gas af te gaan in veel gevallen ook lage eindgebruikerskosten hebben. De nationale kosten moeten immers altijd door iemand betaald worden. Meestal worden deze kosten verdeeld onder de gebouweigenaar, de gebouwgebruiker en de verschillende overheden (via subsidies en fiscale regelingen). Een uitvoeringsplan opstellen zonder helder inzicht in de eindgebruikerskosten is lastiger, maar dan kun je vaak beschikken over veel specifiekere lokale kennis over de kosten voor de eindgebruiker.

 

De Leidraad, bestaande uit de Startanalyse en Handreiking voor lokale analyse, is één van de instrumenten die gemeenten kan ondersteunen bij hun regierol in de warmtetransitie. Andere instrumenten zijn te vinden op de websites van het ECW en PAW. 

Op de website van het ECW is een actueel overzicht
te vinden van producten en documenten die je helpen
bij het opstellen van de transitievisie warmte.
 

Het ECW is er primair voor de ambtenaren en bestuurders van gemeenten. De gemeenten hebben immers de regierol bij de aanpak voor aardgasvrije wijken. Hoewel de focus op het ondersteunen van de gemeenten ligt, kunnen ook andere partijen die betrokken zijn bij de verduurzaming van de warmtevoorziening bij het ECW terecht voor informatie.

Cookie-instellingen